De Carelshavenstraat

Je ouderlijke huis, het straatje uit je jeugd, de buurt die je vormde: het blijft toch een bijzondere plek in een mensenleven. Ja, zelfs als het misschien wel het meest onooglijke naoorlogse straatje van Den Haag betreft. De Carelshavenstraat in Morgenstond. Vrijwel geen hond die ‘m kent (of kende). Zelfs als je om een taxi belde moest je de chauffeur uitleggen hoe hij moest rijden – gps bestond nog niet. Pakweg tachtig meter lang is-ie, één huizenblok, zeven portieken, twee woonlagen. Typische eenvormigheid uit de vijftiger jaren. Gelegen in een buurt waar de straatnamen waren gejat uit Overijssel, denk ook aan Genemuiden-, Boekelo-, Vriezenveen- of Ootmarsumstraat. Een verbindingsweg tussen de Zwartsluisstraat en Enschedelaan. Verstopt in de oksel tussen Steenwijklaan en Leyweg. Een nikserig straatje tussen weliswaar iets grotere, maar in feite eveneens nikserige straten. Wat ook niet echt hielp, was dat in de Carelshavenstraat niemand ‘beneden’ woonde, de gezinnen leefden op een- en tweehoog. Op straatniveau bevonden zich slechts ruimtes voor de plantsoenendienst, de gemeentereiniging, een melkboer, een atelier, stuk voor stuk zaken die een rommelig straatbeeld opleverden van ronkende vuilnis- en andere bedrijfswagens. Nee, voor enige grandeur moest je hier bepaald niet zijn. De overzijde van het huizenblok was tot diep in de Fifties een klein moeraslandje waar het fijn ravotten was voor de jeugd. Maar al spoedig werd die ruimte opgevuld door autobedrijf De Bruin dat tevens garageboxen verhuurde. Wat later verschenen er ook andere kleine ondernemingen, wat inhield dat je vanuit je woonkamer uitkeek over een bedrijventerreintje – reuze gezellig. Het genoemde autobedrijf was naast de onvermijdelijke smeerkuil ook voorzien van een piepkleine showroom waarin, naast een rotan zitje en een grote kamerplant, altijd een Dafje stond te pronken. Jawel, het was een serieuze Daf-dealer! Conclusie: Een korte en nikserige straat bestaand uit een enkel blok huizen met aan de overkant enkele bedrijfjes waaronder een winkel waar men Dafjes trachtte te verkopen. Je zou er maar wonen, in die sneue Carelshavenstraat! Nou, wij dus, ergens vanaf eind vijftig tot begin zeventig. Een onvolledig gezinnetje: een moeder met haar twee zoons, ik was de jongste. Afkomstig uit het toenmalige Nederlands Nieuw-Guinea, waren we uiteindelijk, na een korte omzwerving langs Haagse logementen in de Wormerveer-, de Dirk Hoogenraad- en de 2eSchuytstraat, uiteindelijk neergestreken in het destijds okselfrisse Morgenstond. 

In gedachten zwerf ik er, inmiddels allang AOW’er, nog geregeld rond. Fysiek kom ik er echter zelden omdat ik al decennia met veel plezier in een ander deel van het land woon. Maar, zoals ik eerder aanstipte, zijn oude buurt raakt een melancholisch mens nooit meer kwijt. Villawijk of pauperbuurt, het maakt niet uit. Geluiden, geuren, gevoelens. De looproute naar school, de vriendschappen, verstoppertje in de toen nog autoluwe straat, voetballen in de gemeenschappelijke achtertuin, de grijsmetalen asbakken langs de stoep, moeders die hun was ophingen aan Tomado-rekjes, vaders op hun Berini’s naar het werk of (later, toen de welvaart toenam) de Opel Kadett soppend op zaterdagmorgen.

Ik herinner me de rijdende kruidenier die eens per week langskwam in zijn omgebouwde, Amerikaanse bus, de zwoegende portiekreiniger en zomers natuurlijk de ijsboer die amok makend langskwam. Maar wie écht wat wilde moest toch beslist de straat uit en naar de Leyweg, twee hoeken verderop. Kruidenier Uitendaal, groenteboer Langeveld, boekhandel Radix, apotheek Siem, parfumerie Gracia, Jamin, meubelzaak Corn v.d. Vlist, ijzerwinkel De Bats, banketzaak Van Krieken en viswinkel Buis, snackbar Tafeltje Dekje, een speelgoedwinkel, slager, et cetera. Op het kleine plein hield men destijds zelfs een jaarlijks kermis waarop eens als letterlijk hoogtepunt een heuse achtbaan. (Wie dat pleintje anno nu bekijkt, kan dit nauwelijks geloven.) En verderop langs de Leyweg, richting Meppelweg, werd het nog ‘grootser’. Daar verschenen later de Hema, V&D, bioscoop Eurocinema. Wow! Geen moment kwam het destijds dan ook bij me op dat we iets tekortkwamen, ook al woonden we in een onbeduidend achterafstraatje, met 7 portieken en 28 voordeuren waarachter evenzovele huishoudens schuilgingen. Terugdenkend was het best armoedig, maar met z’n allen had je er totaal geen last van.

Eens in de zoveel tijd sta ik dan toch weer in de Carelshavenstraat, in mijn oude stad. Ik parkeer er mijn auto, kijk omhoog naar de nu ineens wel erg grauw lijkende woninkjes. Daar woonde familie Pietersz en daar Van Ark, daar Oltmans, Roest en daar het echtpaar Spek. Daar woonden mijn vriendjes Paul en Bert, en daar, ach hoe heette ze ook alweer, o ja, Peggy…

Van beneden af bezien lijkt het achter de ramen nu uitgestorven; zielloze vitrages vieren hoogtij en aan de balkons aan de achterzijde domineren schotelantennes. De naambordjes tonen de huidige multiculturele samenleving. Het garagebedrijf aan de overzijde – nu ‘Tot uw dienst’ geheten – verkoopt allang geen Dafjes meer. Maar onderhoud plegen ze nog wel, zo te zien aan derdehands barrels. Ook de skyline is rigoureus veranderd. Met name het Stadsdeelkantoor domineert als een spectaculair zinkende Titanic deze ooit zo timide wijk. 

Ik loop ‘mijn’ straat uit om via de Steenwijklaan op de Leyweg uit te komen waar ik steevast een paar kruidige gerechten scoor bij de aloude toko Passar Baroe. Daarna keer ik terug naar mijn auto. Maar voordat ik achter het stuur kruip om aan de lange thuisreis te beginnen, glijden mijn ogen nog een laatste keer langs het vormeloze huizenblok. Daarna tuf ik het straatje uit, mijn Carelshavenstraat, maar niet zonder een zwaarmoedig verlangen naar vroegâh.  

Ruud Nagel
ruudnagel@hetnet.nl

Recente berichten