De Keizerstraat in de jaren ‘40 en ‘50

Een ontmoetingsplaats voor jonge mensen. Daar kregen ze dan vaak verkering. In mijn jeugd in de jaren veertig en vijftig was de Keizerstraat een gezellige straat. Ik woonde op de Drogersdijk, vlak achter de Keizerstraat, en zag zaterdagsmiddags veel mensen voorbijgaan om daar te winkelen. Want toen waren er meer winkels dan nu.

Er waren keurige zaken, ik kan er nog veel van herinneren. Je had bijvoorbeeld de zuivelzaak Ros. De eigenaar was aangesloten bij Pauwe, een zware geloofsgemeenschap die beschreven wordt in het boek ‘Knielen op een bed violen’.

Mijn oma kwam één dag per week gezellig op bezoek en dan moest ik een ‘’alf onsje vierkante kaes’ (kruidkaas) kopen. Dat kun je je nu toch niet meer voorstellen? Maar we hadden geen koelkast, dus ik moest iedere dag vers beleg halen, zoals een half ons rookvlees.

De winkel stond trouwens altijd vol.

Er waren drie zaken van Bronsveld, één met stoffen, één met werkkleding en één, als ik me goed herinner, met babykleding en lingerie. Wij kochten niet bij banketzaak Osse want die waren rooms en wij waren protestant, maar we kochten wel bij de GéDé, drogist met gaper.  Hij was ook rooms, maar mijn moeder vond hem zo aardig. Dus zij was niet helemaal consequent wat dat betreft. Nu weet je niet meer wie katholiek is of protestant of van een ander geloof en het interesseert je ook niet. Je staat in de rij bij de kassa om af te rekenen en that´s it.

Daar bij die koffiemolen

Wij kochten ook bij kruidenier Koos Biemond, een bijzonder mens. Ik vind het jammer dat er geen foto van het interieur van de zaak gemaakt is. Er waren bakken met bruine bonen, erwten en kapucijners. En een weegschaal waarop alles werd afgewogen, zoals een pond zout, een pond suiker, een ons snoep. Hij verkocht toffees met een papiertje erom, geel en rood en hij noemde ze etter en bloed. Als je gemalen koffie wilde hebben moest je helpen malen.

Er stond een grote koffiemolen met koperen bak en dan vroeg hij of je wilde helpen met malen en dan begon hij te zingen “Daar bij die molen, die mooie molen, daar woont een meisje waar ik zoveel van hou” enzovoort.

Er waren ook nog wat winkels met Joodse eigenaren, zoals Alex de Wind met allerlei artikelen. Ook speelgoed verkocht hij en mijn moeder zei altijd als ik iets ging kopen “ Denk erom, laat je niet afzetten hoor.” Dan had je Van Praag, slager, de dames Speyer, met allerlei rommelige kleding, maar wel goedkoop. En tot 1942 de familie Strauss, die in de oorlog is weggevoerd. Iedereen waarschuwde ze, maar het zou hen niet gebeuren. Ze zijn allemaal omgekomen, man, vrouw en twee kinderen. Ook de Alters die een speelgoedzaak dreven, hebben de oorlog niet overleefd, zij zijn verraden.

Schoenen van de crisis

Er waren minstens vier schoenenzaken zoals De Kaplaars, Modern, Bata, Schoep en ook nog een tijdje Kruikemeier. Verder een mooie kledingzaak De Vooruit met mooie etalages, een kledingzaak voor heren Wilma, een zaak met hoeden en petten, heette  Suzan. Verschillende brood-  en banketzaken zoals Hus, Arnoud van der Ree, Groen, Vollebregt en Flick. En wat in Scheveningen natuurlijk niet mocht ontbreken: een visboer: dove Willem.

En er was ook een mooie boekhandel: Van ‘t Hof. Zij hadden iemand die huishoudelijk werk deed. Hij werd  ‘gekke Janus’ genoemd. Wij zeiden altijd: “Janus, schoenen van de crisis. Nee, ze zijn niet van de crisis, maar van de Koningin,” Maar waar dat op sloeg, zou ik eigenlijk niet weten. 

Er waren ook een paar cafés. Zaterdagsavonds als ik in bed lag en de zaken dichtgingen, hoorde je de jongens zingend en lallend over straat gaan. Flaneren was het niet echt te noemen.

Bep den Dulk

bertha.dulk@ziggo.nl

Keizerstraat, drumband ‘CJMV Scheveningen’ (1955). Foto: Stokvis (vervaardiger), collectie Haags Gemeentearchief

Recente berichten