Is het vriendje echt?

In deze krant lees ik vaak leuke herinneringen aan vroeger. Aan het eind van zulke herinneringen schrijft de auteur weleens: ‘Of heb ik het me soms verbeeld?’ Dan denk ik vaak: zoiets kan je je toch niet verbeelden… Maar zo’n gedachte heb ik nu helaas ook: heb ik het me soms verbeeld?

Eerst een sfeerbeeld. Het is in de jaren na 1955. In dat jaar ga ik naar de 3e klas van de nieuwe (openbare) lagere school in de Tinaarlostraat. Twee jaar later verhuisden de leerlingen van deze school naar een nog nieuwer gebouw, tussen de ‘oude’ en de katholieke school in. Met meester Koenders als leraar en hoofd der school.

Voor de 650 m van huis (in de Denekampstraat) naar school liep ik tussen de Oosterhesselenstraat (nu Fluitenbergstraat) en de Wapserveenstraat (nu Dalerveenstraat) langs de flat aan de Maartensdijklaan, dan door de Wapserveenstraat naar de Leyweg, en daar oversteken bij de verkeersbrigadiertjes. Die brigadiertjes stonden er met z’n vieren om het verkeer tegen te houden. Nou ja: verkeer – toen ik daar een paar jaar later zelf stond, kwam er nog maar af en toe een auto langs. (En soms een fietser: m’n oma die snoepjes kwam brengen.) Er waren dan ook nog geen winkels op de Leyweg. Alleen de plaatsen waar die moesten komen, waren al uitgegraven.

Aan de zuid-west kant waren ze er al voor aan het heien. Op een manier die ik daarna nooit meer heb gezien: er werd een buis de grond in geslagen, daar werd de wapening in gedaan, en tijdens het storten van het beton in de buis werd die buis weer omhoog getrokken.

Aan de noordoostkant waren ze nog niet zover: tussen de Wapserveenstraat en de Oosterhesselenstraat lagen in het afgegraven stuk vele bergjes van aarde: waarschijnlijk stuk voor stuk daar neer gekiept door vrachtauto’s. Als jongetje vond je dat prachtig: je rende kriskras van bergje naar bergje. En dat deden er meer, want over de hoogste bergjes waren al paadjes uitgesleten. In de lente plukte je er tussendoor ook nog wat pinksterbloemen en madeliefjes voor je moeder, die daar erg blij mee was … zei ze.

Aan de overzijde van de Oosterhesselenstraat, waar later V&D zou komen, lag een – in mijn ogen – hoge berg van oranje steentjes. Heerlijk om daar tegenop te lopen: na elke stap omhoog ook weer een stukje teruggegleden, maar het bereiken de bovenkant was het summum – waarvan weet ik niet meer. Daarna langs de in aanbouw zijnde kerk weer richting huis, maar niet voordat je je schoenen en je kleren had ontdaan van oranje stof. En toch kon je moeder soms zien waar je was geweest …

In een of meer van de genoemde jaren liep ik de route terug meestal samen met een vriendje: die woonde op de Maartensdijklaan in een flat op de hoek van de Lonnekerstraat. We renden dan ook over de aarden bergjes. Behalve als zijn grote zus hem kwam ophalen van school: dan vond hij dat rennen over die bergjes veel te kinderachtig. Die zus was al wel een stuk ouder: ze had al een echt vriendje.

En dan nu m’n probleem(pje). Het vriendje met wie ik naar huis liep, heette Freddy Tempelman. Met Google heb ik diverse keren gezocht: naar F. of Fred of Freddy of Frederik Tempelman – maar niets gevonden. Ook op de weinige klassenfoto’s is geen Freddy te herkennen. Met andere oud-klasgenoten heb ik weinig contact gehad, maar als ik hen vroeg naar de naam Tempelman dan zei hun dat niets.

Vreemd: naar mijn mening moet hij toch minimaal een jaar bij mij in de klas gezeten hebben. Of heb ik het me soms verbeeld?

Flip van Wensen
f.van.wensen@zonnet.nl

Recente berichten