Zomer in Morgenstond

Menigeen zal nu anders tegen de wijk aan kijken, maar toen mijn broer ruim een halve eeuw geleden in Morgenstond ging wonen – in een van de net opgeleverde flats – was het een paradijs. Althans, voor de woningnoodgeneratie. Die had een gezin moeten stichten op de zolderverdieping van een herenhuis, dat bewoond werd door (meestal) een weduwe, die daartoe door de toenmalige overheid was verplicht in het kader van ‘de woningnood’. En een eigen ‘huis’ in een ruim opgezette flatwijk met veel groen en winkelgalerijen en met een divers aanbod van middenstanders, was zo gek nog niet. Sterker nog, het was een verademing.

Woningnood. Het was een woord als ‘crisis’, of ‘klimaat’. De kranten schreven er in die tijd net zo veel over als over de Koude Oorlog en de landelijke politiek. Beroemde architecten hadden aan hun tekentafels gestaan om plannen te ontwerpen voor de ambitieuze stadsuitbreidingen van vooral de grote, maar ook middelgrote steden van het naoorlogse Nederland. En zo belandde ik als elfjarige een zomervakantie in die flat, omdat het mijn ouders wel makkelijk leek hun nakomer uit te besteden aan diens twintig jaar oudere eersteling, mijn schoonzus en hun drie kinderen. Mijn schoonzus was dol op mij en vond het prima zo’n prepuberjongetje om zich heen te hebben tussen haar drie dochtertjes in de leeftijd van baby tot vijf jaar. We voerden gesprekken over van alles en nog wat, maakten dagelijks wandelingen door de nieuwe buurt voor de nodige buitenlucht van de meisjes en deden de noodzakelijke boodschappen. En het was alle dagen mooi weer dat jaar. Alles was nog nieuw en ongerept in de plantsoenen en er was een sfeer van grote belofte die niet werd getemperd door de dreiging van oorlog die zou kunnen ontaarden in een atoomconflict. Het televisietoestel kende nog geen massale verspreiding en die jonge gezinnen hadden andere en belangrijker zaken om hun inkomen te besteden. Een wasmachine en een koelkast, maar vooral sparen. Er werd enorm gespaard in die jaren. Dat wil zeggen, kleine bedragen van een klein salaris, want die waren generatie breed betrekkelijk bescheiden. Geen auto, geen vakantie, maar de huur, huishoudelijke apparatuur, en het eten en drinken. Dat was het. Tussen die flats werd op het gras elke avond gevoetbald door de thuisgekomen echtgenoten en de oudere jongens. Waarbij ik natuurlijk ook mijn partijtje mocht meedoen. En dan kwamen de aanmoedigingen van de achterbalkons door alle niet-werkende huisvrouwen. Die sociale coherentie in die nieuwe wijk had met dat nieuwe wonen te maken. De nieuwbouw werd niet ervaren als ‘revolutiebouw’, zoals later omschreven en geduid, maar als een bevrijding uit de beklemming van de ‘inwoning’. De saamhorigheid was even groot als de diversiteit van de bewoners en dat maakte de sfeer. Hierbij moet diversiteit wel begrepen worden als de gelaagdheid van het sociale bouwwerk van de autochtone Nederlandse bevolking. Maar er werd ongelofelijk veel gelachen, juist door de tegenstelling tussen het gebezigde ‘plat’ en ‘deftig’ Haags, terwijl het zuipen nog geen algemene ingang had gevonden, want het waren allemaal oppassende huisvaders en moeders die een glaasje zeker niet schuwden, maar het niet meteen op een slempen zetten. Het waren geen kunstenaars. Het gemeenschapsgevoel werd gevoed door die bevrijding en gevoelens van en hoop op een betere toekomst zonder nadenken over ‘een betere wereld’, maar op betere leefomstandigheden voor gezin en kinderen. Dus door ambitie op persoonlijk vlak; de baan, het werk en het collectieve gevoel waar al die buren zo mee bezig waren. Dat was de morgenstond van die wijk. Een naam als een metafoor dat “het allemaal nog ging gebeuren”. De realiteit was dat het allemaal maar heel kort heeft geduurd. Na de eerste salarisverhogingen volgden de verhuizingen naar verder gelegen buitenwijken en randsteden met eengezinswoningen. De nieuwe instroom bleek sociaal uniformer en verstoorde paradoxaal genoeg de sociale coherentie, omdat er niet meer sprake was van een gemeenschappelijk dromen over een toekomst. Nog later kwamen de allochtonen de wijk binnen, hetgeen de pioniers van het eerste uur die gebleven waren, deed verharden in hun politieke opvattingen. De rest is geschiedenis. Herinnering leeft als een droom in het bewustzijn en gedraagt zich niet zelden als een verleider. Werkelijkheid vervloeit zo tot een geromantiseerd verleden. En toch… ik weet heel zeker dat ik deelgenoot ben geweest van een unieke episode van een niet meer bestaande en bestaanbare tijd.

Michiel Plugge
vlietoos2@gmail.com

Recente berichten