Gezicht op de stad, of toch op het dorp?
Dat is nou eens een goed voorbeeld van Cruijffs uitspraak dat elk nadeel z’n voordeel heeft: het Haags Historisch Museum is tot het voorjaar van 2027 dicht vanwege een ingrijpende verbouwing. Daarom hangt het topstuk van Jan van Goyen, Gezicht op Den Haag uit het zuidoosten anderhalf jaar in het Atrium in het stadhuis. Mooi!
Wat leuk is aan het bijna vijf meter brede schilderij dat Van Goyen in 1651 in opdracht maakte van de drie Haagse burgemeesters Doubleth, Van der Eem en Splinter, is dat het Den Haag in de gouden eeuw zo mooi laat zien. Een compacte stad, of eigenlijk nog dorp, want pas in 1806 krijgt Den Haag officieel de status van stad.
650 Haagse schilders
Landschapsschilder Jan van Goyen (1596 -1656) was als dertiger van Leiden naar Den Haag gekomen. Niet als enige. Het Haagse gilde telde in de zeventiende eeuw wel 650 schilders. Van Goyen legde Den Haag in alle seizoenen en van alle kanten vast. Altijd in krijt op schetspapier. Schilderen deed hij in zijn atelier. Hij werkte snel, met vloeiende penseelstreken en een bescheiden (dus goedkoop) kleurenpalet, dat ‘tonale’ schilderijen met veel bruine en gele tinten opleverde. Hij hield de horizon laag en temperde het zonlicht met lichte wolken.
Voor het Gezicht op ’s-Gravenhage uit het zuidoosten heeft Van Goyen zich langs de Trekvliet geposteerd. Hij legde boerenland vast. En het leven van toen. Vrouwen die koeien melken. Boeren die aan het hooien zijn. Groepjes die uitrusten in de schaduw van een hooibaal. Een ooievaar is neergestreken. Aan het water kinderen met schepnetten. Palingvissers, wandelaars, ruiters. Koetsen met wel zes paarden ervoor, een teken dat de inzittenden hooggeplaatst waren. Een schuit op de Trekvliet, paard en ruiter op het jaagpad op de andere oever. Op die schuit zal hij later, als hij zijn schetsen in zijn atelier omzet in olieverf, zijn initialen zetten.
Kunstige bocht in Trekvliet
Vanaf zijn standpunt kijkt Van Goyen tegen de stadsgrens aan: de Bierkade en het Groenewegje met aan de overzijde zijn eigen huis aan de Dunne Bierkade. Daarachter de stad, als een eiland omsloten door precies die grachten die je nu, vier eeuwen later, aandoet als je een rondvaart door Den Haag maakt. Om dit alles goed en herkenbaar op het doek te krijgen, moest de schilder wel een paar kunstgrepen toepassen. Om te beginnen lijkt het of hij op een heuvel stond. Hij draaide sommige gebouwen met hun karakteristieke gevel naar de kijker toe. En liet de kaarsrechte Trekvliet een flauwe welving naar links maken.
De skyline van toen begint met zes molens. Uiterst links is molen De Ooijevaar te zien, een korenmolen aan het Buitenom. De molen die het dichtstbij staat is de Laakmolen, althans een vroege versie van de poldermolen die hier in 1699 verrees. Blikvanger van het schilderij is de Grote Kerk, die overal bovenuit torent. En dan te bedenken dat de Haagse Toren nu met 92,5 meter nog hoger is dan in 1651. Verder naar rechts achtereenvolgens het torentje van het oude stadhuis, waar Gezicht op Den Haag zou komen te hangen, ’t Gouwe Hooft, Paleis Noordeinde, de Kloosterkerk en het Mauritshuis. Nog verder naar rechts is achter de bomen aan het Korte Voorhout nog een glimp van het dak te zien van het huis van admiraal Maarten Tromp.
Zeeslag bij Ter Heijde
Tromp zou niet meer veel tijd onder dat dak kunnen doorbrengen. Terwijl Jan van Goyen schilderde, namen de spanningen in de wereld toe. In 1652 braken oorlogen uit tussen de Republiek der Nederlanden en de Engelsen. Die werden op zee uitgevochten. Een van die zeeslagen, in 1653 aan de kust bij Ter Heijde, verliep niet gunstig voor de republiek. Nederland verloor dertig van de honderd schepen, 1600 manschappen én admiraal Maarten Tromp (55).
De opdracht van de magistraat van Den Haag aan Jan van Goyen had de kwestie stad of dorp als achtergrond. Daarmee hing ook samen of Den Haag al dan niet een stem had in de Staten van Holland. De zeven leden (Dordrecht, Haarlem, Leiden, Delft, Amsterdam, Gouda plus het Ridderschap (de adel), dat één stem had namens alle dorpen) voelden daar niets voor. Het zou ze macht en geld kosten. Het zou daarom nog tot 1795 duren eer hierin verandering kwam. Maar in 1650 wilden de Haagse bestuurders een gebaar maken dat trots op Den Haag uitdrukte. Dat werd Gezicht op ’s-Gravenhage.
Geslaagde schilder, mislukte zakenman
In augustus 1651 is het werk klaar en ontvangt Van Goyen 650 gulden. Royaal, want te vergelijken met twee keer het jaarsalaris van een ambachtsman in die tijd. Desondanks vraagt hij datzelfde jaar uitstel van betaling aan. En in mei 1653 veinst de schilder dat hij het geld niet heeft ontvangen. Hij stelt het stadsbestuur voor om het te verrekenen met de schulden die hij inmiddels heeft. De schepenen van de stad gaan akkoord, maar de klerk die het moet uitvoeren doorziet het spel en vernietigt het besluit.
Rest de vraag hoe Van Goyen, een productieve en geslaagde schilder, in geldnood kon komen? Het antwoord is dat hij als zakenman mislukte. In 1637, op de toppen van de ‘tulpenmanie’, stak hij bijna duizend gulden in een partijtje tulpenbollen. De duurste kostte hem zestig gulden. Hij kon niet bevroeden dat de tulpenhandel een dag voor zijn aankoop was ingestort. Ook zijn beleggingen in grond en de bouw en verhuur van panden kostten hem geld. In 1654 ging hij goedkoper wonen, in de Wagenstraat. Maar zijn schulden liepen op en bij zijn overlijden in 1656 stond hij 18.000 gulden in het rood.
Boek en lezingen over Gezicht op ’s-Gravenhage
Je kunt uren kijken naar Van Goyens schilderij. Ook biedt het nog veel meer aanknopingspunten voor mooie verhalen. Daar heeft het Haags Historisch Museum op ingespeeld. Herman Rosenberg, nu hoofdredacteur van Den Haag Centraal, schreef in 2010 een boek over Van Goyen als de portrettist van Den Haag. En het museum houdt lezingen in bibliotheken, de eerstvolgende op dinsdag 23 maart, 11 uur in de bibliotheek Leidschenveen.
Details
-
Schrijver
Milja de Zwart -
E-mail
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. -
Fotobijschrift
Gezicht op ’s-Gravenhage -
Editie
05-2025