Spread

De moord op Blonde Dolly (deel 1)


In een driedelige serie onderzoekt cabaretier Sjaak Bral de moord op de beroemde prostituee Blonde Dolly. Hij ontdekt een verborgen familiegeschiedenis en ontmaskert de dader. Deze week deel 1.  

Het Begin

‘Geachte heer Bral,

Graag wil ik reageren op uw oproep in de krant. Dolly zat meestal met de gordijnen half dicht. In het schemerlicht, vrij kuis gekleed. Ze had een grote bouvier met lang donkerzwart haar. Het was een lieve hond. Hij blafte praktisch nooit, maar in de nacht van de moord heeft de hond van half 1 tot 1 uur aan een stuk door geblaft en gejankt. Ik kan me nog herinneren dat ze naar buiten werd gedragen na de moord. Ik was toen 12 jaar. 

PS: Ze was bekend en had vele klanten. Een van hen was de hoofd-commissaris van de politie. Onthou deze observatie voor later gebruik.’ 

Wie was Blonde Dolly?
Googelen maar. ‘Jaren vijftig’ + ‘seks’ + ‘Den Haag’ + ‘prostituee’. Je wil niet weten wat je dan allemaal te zien krijgt… Maar ik arriveer uiteindelijk in 1959. Het jaar dat in Eindhoven de eerste DAF personenauto van de lopende band rolt en de eerste uitzending plaatsvindt van het tv-programma Sport in beeld, de voorloper van Studio Sport. Het ruimtevaartuig Loena 3 neemt voor het eerst foto’s van de achterkant van de maan. 1959 is ook het jaar van de bioscoop-films Ben-Hur en Some Like It Hot. Zangeres Teddy Scholten wint op 11 maart het Eurovisiesongfestival met Een beetje. En… in de nacht van 30 op 31 oktober 1959 wordt Sebilla Alida Johanna Niemans, beter bekend als de prostituee Blonde Dolly, in haar huis aan de Nieuwe Haven te Den Haag, gewurgd. Drie dagen later wordt ze door de politie gevonden. 

De zaak sloeg in als een bom. Iedereen had het erover, de kranten stonden er vol van: ‘Blonde Dolly is vermoord. Dolly is gewurgd!’ Blonde Dolly was extreem gefortuneerd. Ze was nog maar net 32 en bezat, omgerekend naar nu, ruim 2 miljoen euro. Hoe kwam zij aan zoveel geld? De prijs voor een wip was in die tijd vijf gulden. “Dat kan ze niet bij elkaar heb-ben gepeesd”, zegt de Haagse misdaadschrijver Tomas Ross. “Ik weet precies hoe het zit met de moord. Natuurlijk, iemand heeft het gedaan – maar in opdracht van wie? De moordenaar is niet zomaar in haar leven gekomen. Hij is gestuurd. Het onderzoek naar de moord is bovendien willens en wetens gefrustreerd van bovenaf. De hoofdcommissaris van politie, Jan Hak, onthou die naam, Jan Hak!” Als ik mijn moeder, inmiddels 83 jaar jong, vertel over deze geruchtmakende zaak, zegt ze iets opmerkelijks: “Ik heb Blonde Dolly gekend.”

Mijn moeder

Mijn moeder heeft geen makkelijke jeugd gehad. Haar moeder, mijn oma, stierf in 1943, in de oorlog. Mijn moeder heeft veel ellende gezien. Zij zag hoe de V2 raketten over Den Haag vlogen. Die werden gelanceerd vanuit het Haagse Bos maar dat ging vaak mis. Ze heeft een V2 over zien vliegen die twee straten verder neerkwam. Mijn moeder moest als klein meisje en moederziel alleen schuilen onder het bed, met haar pasgeboren broertje. Door de vroege dood van haar moeder kwam ze terecht in een weeshuis. Een vreselijke tijd. Maar er was één persoon waar mijn moeder zich veilig bij voelde: Jopie Nippius. Tante Jopie. 

Mijn oma en Jopie waren van kinds af aan hartsvriendinnen. Na de oorlog, toen mijn moeder nog in dat weeshuis zat, mocht ze dan ook af en toe bij tante Jopie logeren. Jopie Nippius was een bekend figuur in Den Haag. Tante Jopie was namelijk de ‘koningin van de Geleenstraat’. Ze verhuurde daar huizen en kamers aan de meisjes en hun souteneurs. En daar werd ze flink rijk van. Ze trouwde met een beruchte Haagse crimineel, Henk Bartels genaamd. Dat ging niet lang goed. Jopie was te zelfstandig en eigenwijs. Het huwelijk strandde al snel, waarna Jopie een minnaar nam, die gemakshalve ook haar chauffeur was. Eind jaren zestig is ze met auto en chauffeur het water in gereden. Allebei verdronken. Er is geen bewijs. Zeker geen waterdicht bewijs. Men flui-sterde dat er aan de auto was gesleuteld. Nou ja, fluisterde: de remmen waren doorgesneden. Een wraakactie? Wie zal het zeggen. Er was geen bewijs, zeker niet waterdicht. Maar Henk Bartels was vanaf dat moment de ‘koning van de Geleenstraat’. 

“Tante Jopie”, vertelt mijn moeder, “woonde op het Spui, in een mooi, groot huis. Na de oorlog, toen het weer wat beter ging, mocht je een fietsje huren. Op de hoek van de Maasstraat. Er waren niet veel fietsen, maar dan deden ze een blok hout op die trappers, dan kon je er toch bij met je voetjes. Voor een kwartje kon je de hele middag door de wijk fietsen. Maar er waren straten waar ik van tante Jopie niet mocht komen. En dat deed ik dan stiekem toch. 

Afijn, ik rij op mijn fietsje door die buurt en hoe het nou precies gebeurde? Ik weet het niet jongen… ik weet het niet, maar ik schiet met me voetje over die trapper heen en ik val met dat fietsje. Plat op me snufferd. Ik begin te huilen. Dikke tranen. En ineens zie ik haar. Ze staat in de deuropening. Ze heeft gewone kleding aan. Ik zie het nog zó voor me. Ze komt naar me toe. Ze helpt me overeind. ‘Ach kindje toch’. Ze strijkt mijn rokje glad, tilt me terug op dat fietsje, geeft me nog een zetje en zegt: ‘Nou vooruit, niet meer vallen hoor!’ Dát was Dolly. Blonde Dolly.” Dat beeld – van de ene gevallen vrouw die de andere gevallen vrouw overeind helpt – laat mij niet meer los. 

In het archief 

In het politiearchief van Den Haag ligt het dossier van de moord op Blonde Dolly. Ik heb van een bevriende journalist, Casper Postmaa, begrepen dat je daar in mag speuren, als je tenminste een goede reden hebt. Ik moet een verklaring tekenen voor geheimhouding. Het is mij niet toegestaan om ook maar iets uit het dossier te kopiëren of zonder toestemming te gebruiken. Ik sta onder constante supervisie van twee medewerkers in de studiezaal, die mij doordringend aankijken. Het dossier bestaat uit drie dikke archiefdozen. De mappen in deze doos puilen uit. Ze bevatten stapels getuigenverklaringen en processen-verbaal van verdachten van de moord. Onvermoei-baar opgetikt op flinterdun papier door twee rechercheurs: rechercheur Modderman en rechercheur Hoogenraad. Ik kom in een van de drie dozen van Dolly ook een envelop tegen waar-van de inhoud mijn maag doet draaien: de autopsiefoto’s van Blonde Dolly. Gemaakt door de beroemde patholoog-anatoom zelf: Dr. J. Zeldenrust. Ik heb wel twintig keer het archief bezocht maar ik heb maar één keer naar die foto’s kunnen kijken. 

Laat ik het zó zeggen: na het zien van een uitgesneden en gefileerde tong wordt het lastig om bij de lunch nog een hap door je keel te krijgen. Ik hoop het ‘Blauwe Boekje’ te vinden. Dat zei Tomas: “Zoek het Blauwe Boekje.” Het boekje waarin Dolly haar speciale klanten opschreef, zoals politici en beroemdheden. Dat wil ik zien, ik zoek namen, aanknopingspunten, roddels... In een rechthoekige envelop vind ik wat ik zoek. Er valt een kleine blauwe zakagenda uit. Ik sla het onopvallende boekje open op een willekeurige pagina en ik lees: ‘Schoorsteenveger bellen. Schoenen klaar. Twee makrelen voor de hond’. Ik schaam me voor mijn onbeschaamde nieuwsgierigheid over het leven van iemand die ik helemaal niet ken en die bovendien op gruwelijke wijze is vermoord.

De getuige van de moord

Ik gooi het over een andere boeg en neem een besluit: ik ga mij in Blonde Dolly verdiepen. En nee, niet zoals de meeste mannen dat hebben gedaan. Zou het einde van haar leven te verklaren zijn door haar begin? Wie wás Blonde Dolly? Ik pak haar privéfoto’s en vind vrijwel meteen een foto van de enige getuige van de moord. Je zou zeggen: pak die op en verhoor ‛m direct. De getuige zou je echter meteen afblaffen. Het is Nickie, haar bouvier. De hond die, in de nacht van de moord, van half 1 tot 1 uur aan één stuk door heeft zitten blaffen. 

Sebilla Niemans wilde niks liever dan fotomodel worden. Mannequin. Haar carrière als model kwam niet verder dan een reportage in de Libelle, voor breipatronen. Een ander soort handwerk. En weet u wat Dolly deed in haar vrije tijd? Declameren. Dat deed ze graag: optreden voor ouden van dagen. Ze droeg gedichten voor van Gerrit Achterberg, Guido Gazelle en vooral P.A. de Génestet. Zware kost. 

Als Sebilla nog een baby is, krijgt haar moeder een zenuwinzinking en wordt opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, waar ze de rest van haar leven zal blijven. Later, wanneer Sebilla zich Blonde Dolly noemt, zal ze vaak zeggen dat al haar activiteiten erop gericht zijn om geld te verdienen voor een mooie plek voor haar zenuwzieke moedertje, die bovendien aan zware tuberculose lijdt. 

Twee levens

Mijn oma speelde rond 1930 bij het Hofstadtoneel. Dolly heeft eigenlijk geen moeder gehad, net als míjn moeder. Haar moe-der, mijn oma dus, wilde ook haar eigen koers bepalen. Ze zat aan het toneel in Den Haag. Dat was heel wat voor die tijd, rond 1930, een vrouw aan het toneel, dat hoorde niet. Maar ook mijn oma bepaalde haar eigen koers. In december 1943 stierf ze, in het ziekenhuis op de Zuidwal in Den Haag. Overleden bij de geboorte van een tweeling, die het ook niet heeft gehaald. Ze bezweek aan de tyfus. En mijn moeder kwam terecht in een tehuis. Het weeshuis aan de Warmoezierstraat. 

Op dag vijf in het archief ontdekte ik dat ook Sebilla Niemans tijdens de oorlog in een kindertehuis terecht komt. Samen met haar broertje, Henk. Want voor haar vader, die schoenmaker is, is Sebilla een maatje te groot. Het kindertehuis is een voormalig hotel en heet Groot Kijkduin. Het ligt trouwens in Zandvoort. De Tweede Wereldoorlog breekt uit en het tehuis wordt gevorderd door de Duitsers. Sebilla keert terug naar het ouderlijk huis waar haar vader inmiddels een andere vrouw heeft gevonden. Een echte stiefmoeder, want tussen haar en Sebilla botert het niet. Haar vader zegt: “ik kan je hier niet meer hebben”.

Ze raakt op drift en ze spoelt aan bij een uitermate vreemd stel; ze komt terecht bij een waarzegster en haar Italiaanse echtgenoot, een zeeman. Op haar zestiende komt Sebilla te werken in één van hun zaken. Geloof het of niet: een naaiatelier. In Amsterdam. Maar ze kan er niks van. 

De waarzegster heeft echter nog een ánder soort naaiatelier – een bordeel in de Amsterdamse Kerkstraat. Een illegaal bordeel. Het is voor Duitse militairen verboden om op de Wallen te komen. Dit bordeel is enkel voor hoge Duitse officieren en NSB’ers. Hier leert Sebilla de fijne kneepjes van het vak en na de oorlog besluit ze om voor zich-zelf te beginnen, in Den Haag. 

Wordt vervolgd…

Door Sjaak Bral

 

>> DEEL 2

>> DEEL 3

 


Details

  • Schrijver

    Sjaak Bral
  • Editie

    10-2021

Meest gelezen artikelen

Contact

Laan van Meerdervoort 174
2517 BH Den Haag

Lezersservice
ma t/m vrij van 10 tot 12 uur:

070 - 345 76 97

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.


© 2021 De Haagse Tijden. All rights reserved. Powered by Brückel Reclame BV.