Mauritshuis in de storm van de Tweede Wereldoorlog
Het Mauritshuis in oorlogstijd – een geschiedenis van gedwongen sluiting en heropening, van schilderijen in veiligheid brengen en weer ophangen. Van middagconcerten om de loop in het museum te houden en zo te behoeden voor annexatie. Van plaatsmaken voor propaganda van de nazi’s tot plaatsmaken voor illegale muziekuitvoeringen en onderduikers. Huis in de storm, heten de expositie en het boek dat het Mauritshuis tachtig jaar na de bevrijding aan deze geschiedenis wijdt.
In augustus 1939 sloten alle musea op last van de overheid in Nederland hun deuren. De dreiging van oorlog in Europa werd te groot. Ook het Mauritshuis ging dicht. Maar museumdirecteur Wilhelm Martin - zijn voornaam verraadt Duitse wortels - had uit contacten met naar Amerika gevluchte Duitse Joden goed begrepen wat iedereen boven het hoofd hing toen Hitler aan de macht kwam.
Daarom liet Martin in oktober 1939 een bomvrije kelder bouwen om kunstschatten als Vermeers Meisje met de parel te behouden. Boven de kelder stond: ‘t Is droevig, dat de oorlog vergt, dat men ’s lands Kunst voor ’t oog verbergt. Het opschrift siert nu de openingsbladzijde van het boek dat de tentoonstelling begeleidt.
Expositie en boek kwamen niet in een opwelling tot stand. Ze zijn de uitkomst van onderzoek dat het Mauritshuis vanaf 2020 deed. In de woorden van de huidige directeur van het Mauritshuis Martine Gosselink laat het zien hoe haar voorganger ‘laveerde tussen tegenhouden en meebewegen, tussen verzet en compromissen’, ‘om de veiligheid van mensen en kunst te waarborgen’.
In het hol van de leeuw
En dat terwijl Wilhelm Martin omringd was door de instituties van de bezetter. Hij bevond zich als het ware in het hol van de leeuw. Ga maar na, rijkscommissaris Seyss-Inquart zetelde aan Plein 23, de politietop aan Plein 1, het Duitse opperbevel van de Wehrmacht aan Plein 4, op het Binnenhof was de bevelhebber van de Sicherheitsdienst gevestigd, in Hotel Centraal aan de Lange Poten zaten de generaals en de officiersmess bevond zich aan de Korte Vijverberg 3. Nota bene, deze opsomming is niet volledig.
Moderne kunst?
Op het kaft van Huis in de storm staat een intrigerende foto van een wand met lege schilderijlijsten. Ernaast staan spaden. Op de grond zinken emmers en volle papieren zakken. Het lijkt wel een installatie van moderne kunst. Maar de foto, gemaakt in juli 1944, is van een leeggeruimde zaal van het Mauritshuis. In dat vierde oorlogsjaar werden de levensomstandigheden steeds slechter. De kolen waren op en er was geen stroom. Petroleumlampen en kaarsen boden uitkomst, maar betekenden ook brandgevaar. De spaden, emmers en zandzakken stonden er uit voorzorg.
Logboek en jonge ooggetuige
De oorlogssituatie nam ook met zich mee dat directeur Martin permanent toezicht wilde van een betrouwbaar persoon. Toen midden 1942 de conciërgewoning in het souterrain van het Mauritshuis vrijkwam, vroeg hij zijn beheerder Mense de Groot en zijn jonge gezin als bewoners. Voor het onderzoek naar het Mauritshuis in oorlogstijd was dat een gelukkig toeval. De Groot hield sinds zijn indiensttreding begin 1940 een logboek bij. Door de verhuizing kwam daar het relaas van zijn elfjarige zoon Menno bij. In een video-interview met zijn kleindochter haalt de nu 93-jarige Menno de Groot herinneringen op. Aan het gras voor zijn konijn, dat hij droogde op het dak van het Mauritshuis. Aan de eieren van eenden en zwanen die hij raapte op het eiland in de Hofvijver. Over verzetskrant Trouw die hij rondbracht. En over de bezoekers van clandestiene huiskamerconcerten, die hij veilig uitgeleide deed.
Een derde belangrijke bron voor de onderzoekers was de ‘verantwoording’ die Wilhelm Martin in 1953 opstelde. In anderhalf A4’tje, waarop staat dat het niet voor publicatie is bedoeld, deed hij openhartig verslag van zijn 53-jarig dienstverband.
De drie bronnen maken de geschiedenis van het Mauritshuis in oorlogstijd voelbaar. Door het logboek van Mense de Groot beleef je het uitbreken van de oorlog in Nederland mee.
Oorlog
Op 10 mei 1940 begint de Slag om Den Haag. De Groot noteert: ’s Morgens 4 uur bommenwerpende vliegtuigen boven Iepenburg. (…) Half 8 naar Mh. gegaan. Bom gevallen op 500 m afstand van Mauritshuis. Niets beschadigd. De volgende dag voortdurende spanning. Pinksteren 1940 Nederland in Oorlog.
Op 14 mei is Rotterdam het doelwit. De Groot: Rotterdam gebombardeerd. Spanning neemt toe, totdat ’s avonds half acht het bericht komt dat Nederland zich heeft overgegeven. Weliswaar is de ergste spanning gebroken, toch maakt zich een verslagenheid van ons meester. Troepen soldaten, thans ontwapend, trekken in de grootste neerslachtigheid door de stad. Wij zagen er die hun tranen niet konden bedwingen; ons ging het net zoo. ’s Avonds op het dak van het Mauritshuis was de grote brand van Rotterdam en Pernis te zien.
‘Vullis’
De bezetter gebruikte musea graag als etalage voor propagandistische tentoonstellingen. Museumdirecteur Martin verzette zich wel, maar moest eind 1940 toch de deuren openen voor de expositie Het Duitsche boek van heden. Seyss-Inquart opende hem persoonlijk. Niet alle bezoekers waardeerden de uitgestalde boeken. Op 28 november schrijft De Groot in zijn logboek: Een klein incident. ’s Middags komt één onzer supposten beneden met een boek, waarin door een onbekend gebleven bezoeker de oogen van Mussert zijn uitgeprikt. Bij een vertrekkende trein met W.A.-mannen staat “Vullis” en zo meer.
Onderduikers
De Groot hield zijn kaken op elkaar over illegale concerten en onderduikers. Maar Wilhelm Martin vermeldde ze later in zijn verantwoording. “In het Mauritshuis waren onderduikers. Op de terreinen achter de Kerk in de Assendelftstraat waren eveneens onderduikers ondergebracht. Dagelijks werden er 36 brooden bezorgd, die onder hen allen werden verdeeld.”
Details
-
Schrijver
Milja de Zwart -
E-mail
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. -
Fotobijschrift
-
Editie
07-2025