Het mij altijd lief geweest Den Haag
Op zoek naar een tekst die toepasselijk zou zijn voor deze voorjaarsuitgave stuitte ik op het hiernavolgende gedicht. Het beschrijft zowel een deel van Den Haag als het voorjaar, dus wat wil ik nog meer. Bovendien is de schrijfster ervan interessant genoeg om haar door middel van dit artikel aan de vergetelheid te ontrukken.
Vijverberg in het voorjaar
De kleine toren wacht het eerste teken,
de vensters zijn nog dood en zonder beeld;
een zachte wind en zon … het blad zal breken
wanneer een geur van bloei het water streelt.
Het eiland in de vijver komt tot leven,
de witte zwanen glijden zij aan zij;
een merel fluit, zijn lied lijkt los te zweven
en vliegt de hemel in … de zon voorbij.
De kindren dansen zingend op de paden,
een jonge hond blaft blij naar niemendal;
het beter–wetend hart bonst onberaden
en roekeloos om wat nu komen zal.
Het voorjaar is al meer dan zoet verwachten:
het is geluk, zo duizeldiep en wijd,
dat ogen, oren, handen, mond, gedachten,
het leven speuren in zijn heerlijkheid.
Kitty Henriëtte Rodolpha de Josselin de Jong is op 9 juli 1903 in Den Haag geboren. Haar vader, Rodolph, was vanaf 1905 arts in het gemeente-ziekenhuis in Rotterdam en vanaf 1919 hoogleraar in Utrecht. Haar moeder heette Catharina van Prehn en Kitty had een zusje en een broertje. Kitty ging in Rotterdam naar de lagere school en in Utrecht naar de middelbare meisjesschool. Ze had iets met Den Haag want ze schreef ergens dat ze er graag logeerde: “In de huizen mijner grootouders in het mij altijd lief-geweest Den Haag”. Aanvankelijk dacht ze aan een muzikale carrière. Ze was evenals haar moeder, die goed piano kon spelen, zeer muzikaal. Bovendien had ze zowel zangles als vioolles gekregen. Daarnaast had ze van kinds af aan veel gelezen en al enkele gedichten geschreven. Zo las ze de boeken van Top Naeff en Annie Salomons. En mede daardoor koos ze voor de literatuur.
Kitty liet haar eerste roman lezen door een andere schrijfster uit die tijd, Ina Boudier-Bakker en die stimuleerde haar evenals Annie Salomons om hiermee door te gaan. Vanaf 1934 woonde ze zelfstandig in Amsterdam. In 1941 verhuisde ze naar Den Haag. Ze woonde achtereenvolgens in de Bachmanstraat 10, de Laan van Meerdervoort 94 en van 1951 tot 1970 in de Riouwstraat 118. Uit een briefwisseling met de Vlaamse schrijver Willem Elsschot blijkt dat ze met veel plezier op dat laatste adres woonde. Ze woonde hier alleen omdat ze geen man en kinderen had. In 1970 verhuisde ze naar een serviceappartement in Epe. Omdat ze niet langer zelfstandig kon wonen, verhuisde ze in 1988 naar Warnsveld en hier is ze op 25 november 1991 overleden.
Omdat Kitty financieel onafhankelijk was, kon ze zich volledig op het schrijven richten. Ze wordt omschreven als een hartelijke vrouw die veel voor anderen deed. Rond 1930 zette ze zich in voor de vereniging Ons Huis. Deze vereniging werd in 1891 opgericht door Hélène Mercier, een voorvechtster van de emancipatie van vrouwen. Het doel was het exploiteren van volkshuizen in buurten waar mannen, vrouwen en kinderen uit de arbeidersklasse hun maatschappelijke kansen konden vergroten. Het eerste buurthuis werd in de Rozenstraat in de Jordaan in Amsterdam geopend. Vele jaren later zou Humanitas Haagland in Den Haag vergelijkbare buurthuizen openen. Een van die huizen werd ge-opend door Ahmed Aboutaleb, die tenslotte vele jaren in onze stad gewoond heeft.
Kitty heeft een groot aantal romans en novellen en niet te vergeten gedichten en teksten voor cantates geschreven. Daarnaast vertaalde ze boeken, onder andere van Albert Schweitzer die ze gekend heeft en Hermann Hesse. Ook speelde ze een belangrijke rol in de schrijversorganisatie PEN. Deze in 1921 opgerichte vereniging zet zich onder meer in voor verdrukte schrijvers en journalisten en voor de vrijheid van expressie en de vrijheid van meningsuiting. Vanaf 1938 was ze lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.
In de Haagsche Courant van 3 mei 1939 staat een recensie van een van haar romans, De Appel en de Stam: “Als kunstwerk is deze roman, met zijn levendige stijl en zijn direct-typeerenden dialoog geslaagd, omdat er niets opzettelijk-bedachts in voorkomt, niets van een welbewust nastreven van het doel, den familieband te verheerlijken als onmisbare bouwstof voor de maatschappij, alles in dit boek is gewoon en alledaags en vanzelfsprekend, de menschen en omstandigheden zijn er zooals ze niet anders zouden kunnen zijn. In deze doodgewone realiteit echter schuilt het kunstwerk en de begaafdheid is niet gering van de auteur, die het kunstwerk de ziel geeft, welke aan de werkelijkheid het vergankelijke ontneemt.”
In 1986 werd er als eerbetoon aan Kitty de Josselin de Jong in een kleine oplage een met de hand gezet bundeltje van negen gedichten uitgegeven, getiteld Hart van zingen moe en moe van hopen. Dit gebeurde omdat ze ook toen al in de vergetelheid was geraakt. Je kunt je afvragen hoe dat kwam. Waarom wordt het werk van de ene schrijver of schrijfster jaren later nog steeds gelezen en van al die anderen niet. Wel is het zo dat Kitty voortborduurde op het patroon van de schrijfster uit de generatie voor haar en dat zou een reden kunnen zijn. Ze zou de aansluiting met de moderne tijd gemist hebben, wat we hier ook onder moeten verstaan. Wie weet bent u nieuwsgierig geworden en gaat u na lezing van dit artikel op zoek naar een roman of een gedichtenbundel door haar geschreven.
Details
-
Schrijver
Carola Smeedeik -
E-mail
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. -
Fotobijschrift
Vijverberg in het voorjaar. Foto uit 2011, Roel Wijnants, Flickr -
Editie
06-2025